Het evangelie volgens

Het evangelie volgens is een bundel essays over het Nieuwe Testament, gelezen als literatuur. Het Nieuwe Testament is het jongste en kleinste deel van de bijbel. De christelijke toevoeging, zou je kunnen zeggen, aan het joodse Oude Testament. Het evangelie volgens heeft een wat andere opzet dan de voorganger, De bijbel volgens (2003), die gewijd was aan een aantal van de bekendste boeken van dat Oude Testament.  

Allereerst verdiept Nicolaas Matsier zich in de vier nogal verschillende evangeliën. Dat zijn Mattheus, Marcus, Lucas en Johannes, met als hoofdpersoon Jezus. Hij vraagt zich af hoe wonderen in hun werk gingen. Hij buigt zich over de stijl van de parabel en de hyperbool. Hij leest het boek Handelingen, gewijd aan de bedrijvigheid der apostelen, Jezus’ leerlingen. Hij verbaast zich over Paulus, de christenvervolger die de apostel der heidenen werd. Die maakte enorme reizen en schreef brieven aan de eerste christengemeenten. Zonder deze Paulus zou de nieuwe godsdienst nooit tot stand zijn gekomen.

Het evangelie volgens besluit met een essay over het laatste boek van het Nieuwe Testament, Openbaring, een uiterst merkwaardig geschrift in een sterk versleutelde taal, die een diep spoor heeft getrokken door de geschiedenis van de literatuur en de beeldende kunst.

Bij uitgeverij Thoth zal – samengevoegd onder de titel Mooi boek, die bijbel! – een uitgave verschijnen van Matsiers twee essaybundels over de bijbel. 

Het evangelie volgens, De Bezige Bij, 2015

Ida stak een zebra over

Ida stak een zebra over

Ida steekt een zebra over, wordt bijna aangereden, en schrikt zich een hoedje. Een bijzonder mooi hoedje. Zodoende komt Ida op het idee om een hoedenwinkel te beginnen. Zij besluit om zich nog een paar hoedjes te schrikken, steeds op dezelfde zebra, waar het wonder gebeurd is. Beetje gevaarlijk, maar die winkel zál er komen.

Ida stak een zebra over bevat zeven verhalen. Ze gaan over nog andere wonderlijke zaken: een woordenwinkel, een poezenschool, een speelgoeddief, en een fabrikant van groeten, meneer Salute.

Het boekje leverde de schrijver een Zilveren Griffel op. Een kwart eeuw later kwam het – een klein beetje herziene – titelverhaal weer tot leven als Gouden Boekje: Hoe Ida zich een hoedje schrok. Het werd door Noëlle Smit prachtig geïllustreerd. En passant maakte zij van alle personages – deelnemers aan het verkeer zowel als eerste klanten van Ida’s winkel – dieren.

Ida stak een zebra over, illustraties Willem van Malsen, Querido, 1986; idem, illustraties Yvonne Jagtenberg, Leesleeuw, 2002; Hoe Ida zich een hoedje schrok, illustraties Noëlle Smit, Rubinstein, 2014

Ik Ikaros, ik Odysseus, ik Orpheus

Ik Ikaros Ik Odysseus Ik Orpheus

Dit e-book bevat drie korte verhalen, waarin de mythische personages hun lotgevallen beleven, vertellen en bezien. Orpheus, na  zijn geliefde Eurydice voor de tweede keer en nu definitief te zijn kwijtgeraakt: ‘Herhaling en herinnering, daarover denk ik na, of ik wil of niet. Zonder nieuwe gedachten te krijgen.’ Nicolaas Matsier blaast de alom bekende mythen nieuw leven in. Want een mythe kan het zich permitteren te wachten, desnoods eeuwen, tot er weer eens iemand naar omkijkt. Mythen zijn het stofgoud van de literatuur.Ik Ikaros, ik Odysseus, ik Orpheus, De Bezige Bij, 2014

Lof der stenen

In de ondertitel van Lof der stenen wordt een greep gedaan uit de zaken die ter sprake komen: ‘Over ruïnes, praalgraven, douanekantoren, kathedralen, gedenknaalden, herenhuizen, forten, hijsbalken, polders en paleizen’.

Zo divers zijn de onderwerpen. Er is een groot essay over Schliemanns opgravingen van Troje – die hij als het ware deed met Homerus’ Ilias in de hand. Er zijn kleine essays over afzonderlijke architecten zoals Jacob van Campen (als de bouwer van het Amsterdamse stadhuis op de Dam) en van Wim Quist (als de ontwerper van het in een duin verborgen Scheveningse museum Beelden aan Zee). Er is een essay over hoe een geredde ruïneuze stadswijk (de Amsterdamse Jordaan) er nu bij staat. Er is er één over de Haarlemmermeerpolder. Eentje over de zogenaamde keurtuinen achter de Amsterdamse grachtenhuizen. Over de in het landschap nogal verborgen Nieuwe Hollandse Waterlinie. Over de sensationele bouwwerken die Franse kathedralen zijn. Over de Goudse glazen. Over de graven van Jan Amos Comenius en Willem van Oranje. 

Wat de dertig in lengte variërende essays en beschouwingen bindt, is hun levendige belangstelling voor het – soms meer, soms minder – monumentale verleden. Ze komen voort uit een grote nieuwsgierigheid – naar de grote lijnen zowel als de details. Daardoor prikkelen ze de lezer tot een zelfde open houding tegenover een verleden dat allesbehalve dood is.

Lof der stenen, De Bezige Bij, 2012

Meneer Kortom kijkt uit het raam

Meneer Kortom kijkt uit het raam (ondertitel: Lichamelijke oefeningen) bevat vierentwintig korte verhalen. Ze behelzen de wederwaardigheden van een en dezelfde hoofdpersoon. Omdat meneer Kortom zijn geboorte te danken heeft aan een nummer van het tijdschrift Raster eerst even iets over het bewuste nummer. Of eigenlijk zijn het er twee, namelijk 77 (‘Meneer & Co.’) en 79 (‘Meneer M/V’). Beide nummers – nog steeds van harte aanbevolen – verschenen in 1997.

Raster 77 gaf een prachtig overzicht ten beste van een door de redacteur Jacq Vogelaar gesignaleerd internationaal literair fenomeen. Het vormt bijna een apart genre: de meneertjes. Het is een soort van literaire familie. Zo vinden we bij Bertolt Brecht Herr Keuner, Zbigniew Herbert crëeerde zijn Meneer Cogito, bij Henri Michaux is daar Plume, Paul Valéry beschikte over Monsieur Teste. Ze bewegen zich tussen de amateur-filosoof en de harlekijn.

Waar Raster 77 een (buitenlands) overzicht bood, daar trad in nummer 79 een keur van Nederlandse schrijvers aan met eigen creaties, al dan niet voor de gelegenheid. Het nummer heette niet voor niets ‘Meneer M/V’. Onder anderen Hedda Martens, Doeschka Meijsing, Nelleke Noordervliet, Wanda Reisel, Nicolette Smabers en Marjoleine de Vos produceerden een mevrouwtje.

Nicolaas Matsier kwam voor de dag met de drie eerste afleveringen van zijn meneer Kortom. Zo af en toe schreef hij eraan verder, om zijn Kortoms in 2000 ten slotte te bundelen. De gedachten van deze meneer nemen geregeld een hoge vlucht. Ze kunnen gaan over het liggen in bad, over baardgroei, over slapeloosheid, over verstopte oren. Soms overkomt het hem dat hij iets te gelukkig is.Meneer Kortom kijkt uit het raam, illustraties Richtje Reinsma, De Bezige Bij, 2000; een keuze uit de verhalen werd opgenomen in de verzamelbundel Naar het leven, De Bezige Bij, 2015  

Naar het leven

Op het omslag staat: Naar het leven: Verzamelde verhalen. Op de titelpagina heet het: Naar het leven: Verhalen kort & lang. Het is allebei waar. Het is een verzamelbundel. Het boek bevat een keuze uit Elke dag vaderdag van 2005, in 1982 klein begonnen als Een gebreid echtpaartje. Voort is er een keuze uit Meneer Kortom kijkt uit het raam (2000) en uit Dicht bij huis (1996). Compleet opgenomen zijn Heimwee naar het heden (2001), dat een samenvoeging – onder een nieuwe titel – was van Matsiers eerste twee verhalenbundels Oud-Zuid (1976) en Onbepaald vertraagd (1979), voorafgegaan door een nagekomen verhaal: ‘Deux-chevaux en Volkswagen’. Daardoor begint Oud-Zuid net zo Siciliaans als het eindigt. Compleet is ook Roma amoR: Voorheen De Eeuwige Stad (2004), een enigszins herziene uitgave van het vroegere De eeuwige stad (1982).

De volgorde, zo meldt de verantwoording, is er één van lichter naar zwaarder, van korter naar langer, en daarmee tegelijk van een oudere naar een jongere hoofdpersoon.

Naar het leven: Verhalen kort & lang, De Bezige Bij, 2015

Onbepaald vertraagd

Nicolaas Matsier debuteerde met de verhalenbundel Oud-Zuid. Het boek bevat drie verhalen: ‘Scheltema Oostersche Kunst’, ‘Oud-Zuid’, en ‘Coppertone’. ‘Scheltema Oostersche Kunst’ verscheen in de eerste jaargang van het nieuwe literaire tijdschrift De Revisor. Het was een publicatie die Matsier ertoe bracht een pseudoniem te willen.

Onder anderen voor verzamelaars van Asiatica was de plaats van handeling direct herkenbaar. Dit moest de Algemene Ethnografica en Kunsthandel Aalderink zijn, aan de Amsterdamse Spiegelgracht, een zaak overigens die ook figureerde in de roman Rituelen van Cees Nooteboom. Matsiers verhaal gaat over een oude kunsthandelaar in zijn nadagen, over verzamelaars en vazen, over de veilingcatalogi van Sotheby’s en Christie’s. Ars longa, vita brevis.

Om maar meteen een wig te drijven tussen echt en letterlijk enerzijds, en fictief en geschreven anderzijds, besloot T(jit) Reinsma – die als manusje van alles een poosje werkzaam was bij Kunsthandel Aalderink – tot zijn anagrammatische schrijversnaam N(icolaas) Matsier. Vooraf gaf hij het verhaal ter lezing aan de opvolger van Aalderink, Wim Bouwman, die even van plan is geweest beslag te laten leggen op de gehele oplage van het desbetreffende Revisor-nummer. 

Het tweede verhaal, met dezelfde titel als de bundel, behelst de belevenissen van iemand die op een huis past. Hij bereidt zich voor op een tentamen filosofie en geeft de planten water en de poes te eten. Het is een warme zomer. Een vriend (even weg bij zijn vrouw) komt logeren. Een naakt op haar balcon zonnende vrouw aan de overkant brengt een niet gewenste opwinding teweeg. Het leven van de twee vrienden, maar vooral dat van de student krijgt een manisch teveel aan Sinn und  Bedeutung.

Het verhaal waarmee de bundel Oud-Zuid besluit verscheen niet in De Revisor. ‘Coppertone’ is de geschiedenis van een onzekere zus en de haar assisterende broer die naar Sicilië reizen om daar zo goed en zo kwaad als dat gaat vast te stellen of haar verliefdheid reden van bestaan heeft. Is de gerant van het hotel waar zij eerder met haar ouders heeft verbleven de man voor wie zij hem aanziet? De coulissen – het stadje Taormina met zijn smalle straatjes en zijn Griekse theater – dragen ten zeerste bij aan de onwerkelijkheid van deze expeditie.

Oud-Zuid, Querido, 1976; de bundel werd enkele malen herdrukt, o.a. als Salamanderpocket, en later opgenomen in meerdere verzamelbundels: Oud-Zuid, Onbepaald vertraagd, De eeuwige stad, Een gebreid echtpaartje, en andere verhalen, De Bezige Bij, 1995, Heimwee naar het heden, De Bezige Bij, 2001, Naar het leven, De Bezige Bij, 2015

Oud-Zuid

Nicolaas Matsier debuteerde met de verhalenbundel Oud-Zuid. Het boek bevat drie verhalen: ‘Scheltema Oostersche Kunst’, ‘Oud-Zuid’, en ‘Coppertone’. ‘Scheltema Oostersche Kunst’ verscheen in de eerste jaargang van het nieuwe literaire tijdschrift De Revisor. Het was een publicatie die Matsier ertoe bracht een pseudoniem te willen.

Onder anderen voor verzamelaars van Asiatica was de plaats van handeling direct herkenbaar. Dit moest de Algemene Ethnografica en Kunsthandel Aalderink zijn, aan de Amsterdamse Spiegelgracht, een zaak overigens die ook figureerde in de roman Rituelen van Cees Nooteboom. Matsiers verhaal gaat over een oude kunsthandelaar in zijn nadagen, over verzamelaars en vazen, over de veilingcatalogi van Sotheby’s en Christie’s. Ars longa, vita brevis.

Om maar meteen een wig te drijven tussen echt en letterlijk enerzijds, en fictief en geschreven anderzijds, besloot T(jit) Reinsma – die als manusje van alles een poosje werkzaam was bij Kunsthandel Aalderink – tot zijn anagrammatische schrijversnaam N(icolaas) Matsier. Vooraf gaf hij het verhaal ter lezing aan de opvolger van Aalderink, Wim Bouwman, die even van plan is geweest beslag te laten leggen op de gehele oplage van het desbetreffende Revisor-nummer. 

Het tweede verhaal, met dezelfde titel als de bundel, behelst de belevenissen van iemand die op een huis past. Hij bereidt zich voor op een tentamen filosofie en geeft de planten water en de poes te eten. Het is een warme zomer. Een vriend (even weg bij zijn vrouw) komt logeren. Een naakt op haar balcon zonnende vrouw aan de overkant brengt een niet gewenste opwinding teweeg. Het leven van de twee vrienden, maar vooral dat van de student krijgt een manisch teveel aan Sinn und  Bedeutung.

Het verhaal waarmee de bundel Oud-Zuid besluit verscheen niet in De Revisor. ‘Coppertone’ is de geschiedenis van een onzekere zus en de haar assisterende broer die naar Sicilië reizen om daar zo goed en zo kwaad als dat gaat vast te stellen of haar verliefdheid reden van bestaan heeft. Is de gerant van het hotel waar zij eerder met haar ouders heeft verbleven de man voor wie zij hem aanziet? De coulissen – het stadje Taormina met zijn smalle straatjes en zijn Griekse theater – dragen ten zeerste bij aan de onwerkelijkheid van deze expeditie.

Oud-Zuid, Querido, 1976; de bundel werd enkele malen herdrukt, o.a. als Salamanderpocket, en later opgenomen in meerdere verzamelbundels: Oud-Zuid, Onbepaald vertraagd, De eeuwige stad, Een gebreid echtpaartje, en andere verhalen, De Bezige Bij, 1995, Heimwee naar het heden, De Bezige Bij, 2001, Naar het leven, De Bezige Bij, 2015                            

Was Sinterklaas maar een gracht

Matsier loopt warm voor het Sinterklaasfeest, met alles erop en eraan. Hij deed dat al als kind – hij vond het feest opwindender dan zijn verjaardag. Hij werd opnieuw enthousiast toen zijn eigen kinderen klein waren. Hij vindt het een traditie om trots op te zijn. Waar ter wereld wordt een bevolking gevonden die zich tegen het eind van het jaar massaal aan het dichten zet? Die vernuftige surprises uitdenkt en ze eigenhandig in elkaar knutselt?

Dit is een breed gedeelde beschaving van grote allure. Geschenken die uit de lucht komen vallen, in vroeger tijden wijze van beloning voor goed gedrag, tegenwoordig ook zonder. Het is een feest voor alle gezindten en overtuigingen, katholiek, protestants, seculier. Een vrolijke concurrent voor, of vreedzame metgezel van, het suikerfeest, zo hoopt de schrijver van Was Sinterklaas maar een gracht.

Nog maar een paar eeuwen geleden verboden de calvinistische predikanten in Amsterdam de sinterklaasmarkt op de Dam. De speculaaspoppen, met hun afbeeldingen van een heilige, waren afgodisch. Dat is iedereen intussen vergeten. Zo ook dat Maria Montessori (en na haar de anti-autoritaire crèches van de jaren zeventig, tachtig en negentig van de vorige eeuw) weinig of niets van deze feestheilige moest hebben.

Matsier is ervan overtuigd dat ook het effect op de al dan niet zwarte Piet – van de huidige antiracistische golf – zal wegebben. Piet is immers onmisbaar in het duo, hij zal alle kleuren van de wereld aankunnen. Een slimme knecht weet met zijn oude baas wel raad.

Was Sinterklaas maar een gracht – dat was de verzuchting die Matsier tegen het eind van de jaren negentig deed. Aan het dempen van Amsterdamse grachten was dankzij een protest van de beeldend kunstenaar Jan Veth een eind gekomen. Matsier ondernam een kleine kruistocht van vier weken op de Achterpagina van NRC Handelsblad. Die was gericht tegen met name het grootwinkelbedrijf De Bijenkorf – waar ze bezig waren Sinterklaas in te ruilen voor de veel plattere en commerciëlere Kerstman.

Hij fulmineerde: ‘Daar had je – verdomme – een schitterend feest, een feest om “U” tegen te zeggen, met alles erop en eraan, een ware rijkdom aan eten en drinken, met een eenvoudige maar sterke verkleedpartij, grappen, gedichten, een springlevende liederenschat van indrukwekkende omvang – en dat zouden we nou eens met zijn allen om zeep gaan helpen voor een zouteloze, patserige, puur commercieel geïnspireerde import’ – de naar Nederland teruggewaaide maar helaas onherkenbaar geworden Santa Claus, ‘die roodgroene lul’.

In het geniete uitgaafje vindt de lezer zes kleine essays. Daarin gaat het om de aard en de beleving van het feest, om de lange cultuurgeschiedenis ervan, om Sint-Nicolaas als zeer veelzijdige heilige, die het opnam voor meisjes, scholieren, zeelui en militairen – en die eeuwenlang in heel Europa zorgde voor een grote hoeveelheid voor- en achternamen.

In 2000 nam Matsier het opnieuw op voor het feest. In het essay getiteld ‘Onze multiculturele heilige’ laat hij zien hoe vaak Sint-Nicolaas al onder vuur heeft gelegen – van felle calvinisten in de zeventiende eeuw via Maria Montessori tot en met anti-autoritaire crèches. Het essay vormt de inleiding tot een heiligenleven van Orderic Vitalis dat door Claire Weeda vertaald werd onder de titel De botten van Sint-Nicolaas (Athenaeum–Polak & Van Gennep, 2000).

Was Sinterklaas maar een gracht, De Bezige Bij, 1995

Zonder titel zonder jaar

Zonder titel zonder jaar

Debuteren als dichter, dat kan altijd nog, moet Matsier heel lang gedacht hebben. Want zo af en toe schreef hij wel eens een gedicht – voor deze of gene vriend of vriendin. Naar aanleiding van een verjaardag of een sterfgeval. Over een etser of de schimmen op een oude foto. Maar een bundel? Het kwam er toch van, dankzij een vingeroefening. Die verscheen in kleine oplage bij Ser J.L. Prop en diens Godelieve, als bibliofiel drukwerk. Over deze kleine bundel Druppel (2016) oordeelde

Guus Middag in NRC Handelsblad: ‘Twintig goede gedichten – dat is niet gek voor een poëziedebuut… Misschien maakt Matsier (1945) nu wel kans op de C. Buddingh’ Prijs 2017.’ In dat jaar publiceerde De Bezige Bij de meer uit de kluiten gewassen bundel Zonder titel zonder jaar. Die telde vierenveertig gedichten.

Zonder titel zonder jaar, De Bezige Bij, 2017