Meneer Mooi Weer

Dit Gouden Boekje gaat over de komst, elke dag opnieuw, van de ijscoman. Met steeds nieuwe soorten ijsjes. Hij wordt hartstochtelijk verwelkomd door alle kinderen en hun ouders. De hele straat stroomt toe. ‘Teun liet zijn trein achter en Pien liet haar poppen achter en Karin liet haar katjes achter en Berend liet zijn bootjes achter en ze holden over de stoep meneer Mooi Weer tegemoet.’

The Good Humor Man – tekst Kathleen Daly, illustraties Tibor Gergely – verscheen in 1964 in New York. In de vertaling van 1996 werd de ijscoman Meneer Mooi Weer. Moet je zien wat hij vandaag in de aanbieding heeft:

‘k Heb Ranja Rotsen en
Kokosnoot Knotsen,
Frambozen Fonteinen,
Roomijs met Rozijnen.

‘k Heb Koffiecantates en
Suikersonates, Rababerraketten
en Kiwikornetten.
En speciaal voor vandaag uit
Lekkerland mee:
Aardbei-bananen-choco-puree.’

Het vertalen van dit boekje bezorgde ook de vertaler een erg goed humeur.

Kathleen Daly (tekst), illustraties Tibor Gergely, Meneer Mooi Weer, vertaling Nicolaas Matsier, De Bezige Bij, 1996; herhaaldelijk herdrukt door Rubinstein, op het gebruikelijke formaat zowel als mini (6,5 x 7,5 cm, 2003) en maxi (20 x 25,5 cm) – dat laatste als onderdeel van Het gouden voorleesboek, Rubinstein, 2010 en volgende jaren

Aantekeningen bij Alice

Martin Gardner was naast befaamd popularisator van wiskundige problemen en puzzelmaniak ook een onvermoeibare kenner van Lewis Carroll’s werk. Zijn Annotated Alice (eerste editie 1960) groeide door tot de More Annotated Alice van 1990, om in het jaar 2000 de derde macht te bereiken van de Definitive Annotated Alice.

Het was deze laatste Alice-met-aantekeningen waarvan Nicolaas Matsier dacht: ‘Hé, zou dat niet een mooi deel van de Gouden Reeks kunnen worden? Dan hoef ik alleen die aantekeningen nog maar te vertalen, want de rest, de beide Avonturen van Alice in Wonderland & Achter de Spiegel – die heb ik toch al vertaald?’

Athenaeum–Polak & Van Gennep, de uitgever van de Gouden Reeks, voelde er wel voor. Twee delen in een cassette. Ene deel de beide avonturen, andere deel de aantekeningen bij Alice van Martin Gardner, in vertaling. Dat is ook zo gegaan in onder andere Duitsland en Italië. Nicolaas Matsier toog aan het werk.

Al doende kwam hij erachter dat het niet zo eenvoudig was. Vaak moest er gesleuteld worden aan hetzij de vertaling van Carroll hetzij aan de noten, zo niet aan allebei tegelijk. Noodgedwongen zijn er noten geschrapt, ingekort, uitgebreid en toegevoegd door de vertaler.

Maar de noten van Gardner zijn nu ook weer niet heilig, het zijn noten voor een groot publiek, zonder wetenschappelijke pretentie. Ze hebben een dienstbaar en onderhoudend karakter – en dat karakter is behouden gebleven. De eigenlijke avonturen tellen in deze uitgave zo’n 250 bladzijden in een apart deel. De aantekeningen van Gardner zo’n 200, ook in een eigen deel. De delen, elk voorzien van een leeslint, zitten in een cassette. De uitgave is vormgegeven door Jacques Janssen en Jaap Meijer. Het deel van Gardner is niet afzonderlijk verkrijgbaar.

Martin Gardner, Aantekeningen bij Alice, vertaling Nicolaas Matsier, Athenaeum–Polak & Van Gennep, 2009

Een gebreid echtpaartje

Het begon als volgt. Zo af en toe, onregelmatig, schreef Nicolaas Matsier stukjes voor de Achterpagina van NRC Handelsblad. Die gingen over de avonturen van het prille vaderschap. Ze betroffen eerst één dochter, later twee. In de leeftijd nul tot zes. Ze werden aangeduid met de initialen R. en J. Ze hadden immers recht op een zekere mate van privacy. De avonturen gaan over zaken als de eerste tik, een taal van drie woorden, en de rituelen rond het naar bed brengen.

De stukjes gingen hun eigen gang. De trotse vader was een geschiedschrijver van beginnetjes. Al schrijvend voor de krant had hij zeker nog geen boek in het hoofd. In 1982 verschenen zeven van die stukjes gebundeld als Een gebreid echtpaartje bij uitgeverij Kwadraat. De oudste, R., was op dat moment nog geen drie, de jongste, J., nog niet eens één. Hierna bleef dit Gebreide echtpaartje nog een paar jaar gewoon doorgroeien, net als de kinderen zelf.

Drie jaar later, weer onder de titel Een gebreid echtpaartje, verscheen er een in omvang verdubbelde bundel. Nu bij uitgeverij Querido. De dochters hadden intussen bijna de schoolgaande leeftijd bereikt – die waarop ze zelf zouden leren lezen en schrijven. Daar lag dus ook de grens van de betamelijkheid van zulk geschrijf, zo leek het de auteur van de stukjes over hen.

Hij besloot voor elk van zijn dochters – toevallig altijd jarig in en vlak vóór de Kinderboekenweek – een kinderboek te schrijven. Dat zijn A is een aardappel en Ida stak een zebra over geworden. Maar helemaal gedaan met voorheen het gebreide echtpaartje was het nog steeds niet. Bij de Bezige Bij verscheen in 1999 – voorzien van een nieuwe titel – de bundel Elke dag vaderdag, eenentwintig stuks. Pas in 2005, in nog uiterster uitbreiding en weer onder de titel Elke dag vaderdag was het afgelopen met het twintig jaar eerder ter wereld gekomen echtpaartje.

De twee laatste uitgaafjes openen met de nog steeds actuele beschouwing ‘Over het voortbewegen van kinderwagens’ – door vaders, wel te verstaan. Althans, heel wat vaders. Wie zijn ogen niet in zijn zak heeft, weet hoe ze dat doen. Diagonaal: vader en buggy vormen twee vierkanten die elkaar aan een hoekpunt raken. De vader loopt schuin achter de wagen, en hij kijkt erlangs, niet erin. Ik doe het wel, maar toch eigenlijk niet, zo geeft deze vader te kennen. In het grootste deel van de twintigste eeuw zag je nooit een vader achter een kinderwagen.

Een gebreid echtpaartje, Kwadraat, 1982 [eerste bundel, zeven verhalen]; Een gebreid echtpaartje, Querido, 1985 [tweede, uitgebreide, bundel, veertien verhalen]; Elke dag vaderdag, De Bezige Bij, 1999 [derde, uitgebreide, bundel, eenentwintig verhalen]; Elke dag vaderdag, De Bezige Bij, 2005 [vierde en finale bundel, tweeëntwintig verhalen]

De tweede bundeling van Een gebreid echtpaartje werd opgenomen in de verzamelbundel Oud-Zuid, Onbepaald vertraagd, De eeuwige stad, Een gebreid echtpaartje, en andere verhalen, De Bezige Bij, 1995; Elke dag vaderdag maakt ook deel uit van de verzamelbundel Naar het leven, De Bezige Bij, 2015

Oud-Zuid, Onbepaald vertraagd, De eeuwige stad, Een gebreid echtpaartje, en andere verhalen

Wat deze verzamelbundel bevat zegt de titel: dit zijn de eerste vier boeken van Matsier. Plus twee niet eerder gebundelde verhalen. Ten eerste: ‘Tien zeer korte verhalen’ dat – in weerwil van de titel – zelf één verhaal is, dat eerder gepubliceerd werd in Vrij Nederland (december 1975). Ten tweede: het verhaal ‘Doorhalingen’, oorspronkelijk eerder verschenen in De Revisor (1990/3). Het eerste verhaal is later niet opnieuw gebundeld. Het tweede wel, namelijk als allereerste verhaal van Heimwee naar het heden (De Bezige Bij, 2001), onder de titel ‘Deux-chevaux en Volkswagen’, en nog eens in de verzamelbundel Naar het leven (De Bezige Bij, 2015).

Oud-Zuid, Onbepaald vertraagd, De eeuwige stad, Een gebreid echtpaartje, en andere verhalen, De Bezige Bij, 1995

Een sluimerend systeem

Een sluimerend systeem

Een sluimerend systeem is een bundel essays. Essays over architectuur, schilderkunst en literatuur. Aan de orde komen onder anderen de schrijvers Xenofon, Lidia Ginzburg, Fernando Pessoa, Charlotte Mutsaers en Mercè Rodoreda.

Naast literatuur is daar de architectuur in allerlei gedaanten: in de vorm van een loflied op de Amsterdamse Noorderkerk, het Plan Berlage, de gevelstenen van Amsterdam (die kleine sculpturen die van je vragen om het hoofd even in de nek te leggen) en de Romaanse dorpskerken van Friesland en vooral Groningen. Eén essay is gewijd aan poëzie in de publieke ruimte.

Een derde lijn in de bundel wordt gevormd door de aandacht voor beeldende kunst (stillevens, Stoskopff, Vermeer) en filmdocumentaires (Heddy Honigmann en Claude Lanzmann).

In hun ogenschijnlijke diversiteit maken alle essays toch deel uit van wat Matsier zijn sluimerende systeem noemt. Het is een wat hem betreft zeer gelukkige formulering die hij dankt aan de Duitse auteur Georg Christoph Lichtenberg (1742-1799). Die schreef in zijn Zettel – waaruit door Adriaan Morriën en Henk Mulder een keuze vertaald is onder de titel Donderslagen op muziek: Een keuze uit zijn kladboeken – dit:

‘Om het in ieder mens sluimerend systeem te doen ontwaken, is schrijven een voortreffelijk middel en iedereen die ooit heeft geschreven, zal hebben ontdekt dat schrijven altijd iets wakker maakt dat men voordien niet duidelijk besefte, hoewel het in ons lag besloten.’

Het essay over de Noorderkerk, als ‘De kerk van de Jordaan’ verschenen in de Volkskrant, werd bekroond met de Heemschut NOG Prijs 1997.

Een sluimerend systeem, De Bezige Bij, 1998

Elke dag vaderdag

De zaak begon met Een gebreid echtpaartje (Kwadraat, 1982; Querido, 1985) en eindigde met Elke dag vaderdag (De Bezige Bij, 1999 en 2005). Het gaat hier om voortschrijdend inzicht in het ouder-en in het bijzonder het vaderschap. Het eerste uitgaafje bevatte zeven korte beschouwingen over belevenissen als de eerste tik en de eerste taal. Van eerst één, daarna twee dochters. Er volgde een tweede, uitgebreide uitgave, onder dezelfde titel, Een gebreid echtpaartje. Zie daar voor reacties.

Onder de nieuwe titel Elke dag vaderdag verscheen een derde, alweer uitgebreide editie. Om de een of andere reden ging het steeds om zeventallen. Bij Kwadraat bestond het boekje uit zeven columns, bij Querido uit veertien, bij De Bezige Bij uit eenentwintig stuks. Ten slotte zwierf er nog één notitie over het vaderschap los rond, zodat de finale bundeling uitkwam op tweeëntwintig. Het moest ook een keer afgelopen zijn. Kinderen worden groot en ouders moeten erover ophouden.

Elke dag vaderdag, De Bezige Bij, 1999 en 2005

Gesloten huis

Op de roman die uiteindelijk Gesloten huis is gaan heten en die in 1994 uitkwam, had Nicolaas Matsier al heel lang gebroed. In het najaar van 1978 beleefde hij een weliswaar korte maar hevige psychose. Hij was twee weken manisch, sliep niet, en was vrijwel onaanspreekbaar. Hij leefde temidden van vodjes papier, hoofdletters en uitroeptekens. Hij werd gered door zijn vrouw, een psychiater, en enige medicatie.

Twee lijnen hadden elkaar gekruist. De ene lijn was die van de twee dode kinderen in het gezin waarin hij groot geworden was. Als kind zat hij daar precies tussen in. Zo maakte hij een oude, achterstallige rouw mee. Een rouw, waarmee de ouders noch de kinderen destijds raad hadden geweten.

Het was een rouw die hem ingehaald had door aan te haken bij een nieuwe rouw, die eruit voortkwam dat een zwangerschap van zijn vrouw tijdens een vakantie in Frankrijk zomaar op niets uitliep. Dat wil zeggen: een misgeboorte, begraven op een helling ergens in de Elzas, gemarkeerd door een heel klein kruisje van takjes.

Sinds die korte psychose had hem een grote roman voor ogen gestaan, een soort centrifuge van rouw. Die te schrijven roman had achtereenvolgens titels gehad als God van de drempel en Souvenirs Rookwaren. Een aanloop tot de roman, onder de laatste van deze twee titels, heeft in 1987 in De Revisor gestaan. Het fragment werd geschreven tijdens een maand onbetaald verlof – Matsier werkte nog als redacteur bij De Bezige Bij.

Het duurde nog tot 1990 voordat de roman zich opnieuw begon te roeren. In dat jaar overleed de moeder van de schrijver – het huis in de Haagse Vruchtenbuurt moest leeggeruimd worden. Zulk opruimen van wat een deel is geweest van het opgroeien is een vreemde bezigheid, die zich beweegt tussen emotionele geschiedschrijving en vuilnishoop.

Het is dus eigenlijk een rouw in drievoud die achter – en ook in – deze roman zit. Veel lezers hebben in het boek een jeugd en een periode herkend van kort na de oorlog. Een tijd van dit-en-dat was er allemaal nog niet (wasmachines, auto’s, tv-toestellen en allerlei andere welvaart), een tijd ook van heel veel dat-had-je-toen-nog-overal (streepjestruien, schillen- en kolenboeren, paard-en-wagen, scharesliepen, bakkerskarren, losse melk, twee maal per zondag naar de kerk, hooischelven). De negentiende eeuw eindigde pas in de jaren vijftig van de twintigste.

Het was voor de uitgeverij zowel als de auteur een totale verrassing dat Gesloten huis een bestseller werd. Het boek werd genomineerd voor letterlijk alle denkbare grote prijzen: de AKO, de Libris, De Gouden Uil, de Europese Aristeion. De auteur ontving de Haagse Bordewijkprijs en de Mekkaprijs. Die laatste prijs was de uitkomst van een navraag bij zo goed als alle Nederlandse recensenten en critici. De roman werd vertaald in het Duits en het Frans. Een vertaling in het Zuid-Afrikaans weigerde Matsier vanuit een pas veel later weer betreurde politieke correctheid.

Gesloten huis: Zelfportret met ouders, De Bezige Bij, 1994. Het boek is in meer dan een handvol edities verschenen. De zeventiende druk dateert van 2010. Er is een luisterboekuitgave – de auteur zelf leest voor. 

Heimwee naar het heden

Heimwee naar het heden

Soms valt er heel wat te verantwoorden, aan een uitgave. Een nieuwe titel voor oud werk – is dat wel zo’n goed idee? Helaas, Matsier wou het zo graag, destijds. Zijn twee eerste verhalenbundels, Oud-Zuid en Onbepaald vertraagd moesten tot één bundel worden samengevoegd. Dat is gebeurd onder de titel Heimwee naar het heden.

In de verantwoording achterin Heimwee naar het heden wordt een en ander netjes uit de doeken gedaan, dat wel. Het gaat hier om een paar ingrepen tegelijk. Ten eerste de gewijzigde samenstelling van de debuutbundel en verder twee wijzigingen van titels van de verhalen in de tweede bundel. Het zijn zaken die Matsier later is gaan betreuren. Je moet van titels afblijven, vindt hij, ouder en wijzer.

Voor alle duidelijkheid hier de toedracht. Oud-Zuid, als debuut, bestond in 1976 uit drie verhalen. In Heimwee naar het heden zijn het er vier geworden. Een toegevoegd verhaal is het eerste geworden. Het heet ‘Deux-chevaux en Volkswagen’ en is een nagekomen vertelling die pas in 1990 gepubliceerd werd in De Revisor. Thematisch sluit het naadloos aan, het hoort thuis op deze plek,

en het is bovendien – als nóg een Siciliaans avontuur – de pendant van ‘Coppertone’, het verhaal waarmee de debuutbundel Oud-Zuid besloot.

Dan is er nog de zaak van de gewijzigde verhalentitels. Een heel gedoe. Ooit wilde Matsier eigenlijk vier Latijnse titels, dat leek hem mooi. Maar voor het verhaal ‘De Minnema-variaties’

diende zich zo’n titel niet aan. ‘Onbepaald vertraagd’ heette in De Revisor nog ‘Vis dormitiva’.

‘Flatus vocis’ werd in Heimwee naar het heden ‘Nominalisme’.’Esse est percipi’ werd ‘Heimwee naar het heden’. Het spijt hem, maar zo zit de zaak in elkaar. Nooit meer doen, heeft hij zich voorgenomen.

Heimwee naar het heden, De Bezige Bij, 2001

Het achtenveertigste uur

De titel van de roman Het achtenveertigste uur verwijst naar een term uit de praktijk van de Nederlandse Immigratie- en Naturalisatie Dienst. De IND rekent in procesuren. Het zijn uren die vooral tellen voor de advocaten pro deo die misschien toch nog een kans zien om een gat te schieten in de snel verlopende procedure van een asielzoeker.

In Het achtenveertigste uur volgt de lezer aan de hand van het groeiende dossier één zo’n asielzoeker, naar eigen zeggen een boerenzoon uit Soedan. De lezer vergezelt hem vanaf zijn intake door de douane op Schiphol – via de zogenaamde gehoren (zoals de ondervragingen met behulp van tolken door IND-ambtenaren heten) – elkaar afwisselende advocaten – tot het dichterbij komende, naar te verwachten valt ongunstige besluit. Het is een gebeuren in de vorm van een estafette. Die snelle opeenvolging zorgt ook voor de per persoon verschillende stijlregisters van al deze professionals. Die wordt de lezer gewaar door hun innerlijke monologen.

Nooit ziet de vluchteling – de heen en weer vertaalde hoofdpersoon – hetzelfde gezicht twee maal. Maar zijn dossier groeit gestaag door. Het is op weg naar voltooiing. Moesa is volop bezig een man van louter papier te worden. Nicolaas Matsier voorzag de roman van een motto afkomstig uit een  essay van Montaigne: ‘Nooit hebben twee mensen eender geoordeeld over dezelfde zaak, en twee precies gelijke opinies zul je niet tegenkomen, bij verschillende mensen net zo min als bij dezelfde mens op verschillende uren.’   

Het achtenveertigste uur, De Bezige Bij, 2005

Het bedrogen oog

Het bedrogen oog (2009) gaat over trompe-l’oeils. Zo heten schilderijen en andere kunstwerken die hun best doen om eruit te zien alsof ze geen kunstwerken zijn, maar ‘echt’. Schaal 1:1. Ze doen of ze net zo driedimensionaal en tastbaar zijn als de overige omgeving. Om zich met effect als kunstwerken te kunnen openbaren, moeten ze zich eerst juist verborgen houden. Trompe-l’oeils maken dus graag gebruik van vloeren, muren, plafonds, ramen, deuren, plaveisel.

Aan de hand van zo’n 125 trompe-l’oeils doet Nicolaas Matsier een greep uit de geschiedenis van deze hyperrealistische kunstvorm. Het is een geschiedenis – met belangrijke bijdragen uit de Lage Landen – die al in de klassieke oudheid begint en voortbestaat in diverse vormen van street art en muurschilderingen. Er is een appendix met sterke verhalen over bedriegers en bedrogenen. Ook die loopt van de oudheid door tot op heden.

Dit is de eerste keer in Nederland dat er aan de trompe-l’oeil – een door de kunstgeschiedenis toch wel wat ondergewaardeerd genus – een boek wordt gewijd. Het bedrogen oog werd vertaald in het Hongaars.

Het bedrogen oog, De Harmonie, 2009