Lof der stenen

In de ondertitel van Lof der stenen wordt een greep gedaan uit de zaken die ter sprake komen: ‘Over ruïnes, praalgraven, douanekantoren, kathedralen, gedenknaalden, herenhuizen, forten, hijsbalken, polders en paleizen’.

Zo divers zijn de onderwerpen. Er is een groot essay over Schliemanns opgravingen van Troje – die hij als het ware deed met Homerus’ Ilias in de hand. Er zijn kleine essays over afzonderlijke architecten zoals Jacob van Campen (als de bouwer van het Amsterdamse stadhuis op de Dam) en van Wim Quist (als de ontwerper van het in een duin verborgen Scheveningse museum Beelden aan Zee). Er is een essay over hoe een geredde ruïneuze stadswijk (de Amsterdamse Jordaan) er nu bij staat. Er is er één over de Haarlemmermeerpolder. Eentje over de zogenaamde keurtuinen achter de Amsterdamse grachtenhuizen. Over de in het landschap nogal verborgen Nieuwe Hollandse Waterlinie. Over de sensationele bouwwerken die Franse kathedralen zijn. Over de Goudse glazen. Over de graven van Jan Amos Comenius en Willem van Oranje. 

Wat de dertig in lengte variërende essays en beschouwingen bindt, is hun levendige belangstelling voor het – soms meer, soms minder – monumentale verleden. Ze komen voort uit een grote nieuwsgierigheid – naar de grote lijnen zowel als de details. Daardoor prikkelen ze de lezer tot een zelfde open houding tegenover een verleden dat allesbehalve dood is.

Lof der stenen, De Bezige Bij, 2012

Geselecteerde reacties

Liliane Waanders, de contrabas, 2013

Matsier gaat niet prat op zijn kennis van zaken. Hij stelt die kennis en zijn kunde – je moet het maar kunnen, het ene met het andere verbinden, zonder dat er lassen zichtbaar zijn – in dienst van de dingen die hij beschrijft. Het is helemaal niet erg dat Nicolaas Matsier zoveel meer weet dan ‘ik’, want nergens heeft hij ‘mij’ het gevoel dat ‘ik’ dom ben. Nicolaas Matsier veronderstelt namelijk geen voorkennis, hij gaat uit van gedeelde belangstelling. Hij anticipeert op ‘mijn’ volgende vraag, maar terwijl ‘ik’ nog bezig ben die te formuleren, vertelt hij gewoon verder en komt het antwoord vanzelf, omdat die vraag en dat antwoord onderdeel uitmaken van zijn vertelstrategie, die in de tekst overigens net zo onzichtbaar is als de lassen zijn.

Jaap van Heerden, Ons Erfdeel, 2013

Nicolaas Matsier brengt een bezoek aan Kasteel Radboud nabij Medemblik en doet daarvan verslag in een essay dat is opgenomen in zijn onlangs verschenen bundel Lof der stenen. Het kasteel heeft een eigentijdse bestemming gekregen waardoor het exploitabel is. Op het moment dat de schrijver hier zijn bezoek aflegt, zijn twee dames druk doende het tapijt te stofzuigen. Zij houden in opdracht van de Rijksgebouwendienst de boel een beetje netjes, zodat de middenstand het restaurant naar behoren kan uitbaten. Een publiek-private samenwerking die onvermijdelijk vereist bij het onderhoud van ons materiële erfgoed. Die twee stofzuigende dames worden door Matsier terecht vermeld. Zij zijn onderdeel geworden van monumentenzorg en vormen een sprekend detail in ons historisch besef. Je ziet die twee dames overal waar iets voor verder verval behoed moet worden. Door een praatje aan te knopen met de stofzuigende dames maakt Matsier geheel terloops de spanning voelbaar die bestaat tussen restauratie en behoud van het verleden en de vaak ontluisterende moderniteit van de eigentijdse bestemming. Hij heeft er ook vrede mee. Liever een partycentrum dan de totale afbraak.

            In Lof der stenen heeft Nicolaas Matsier dertig essays gebundeld over bouwwerken in Nederland: gedenknaalden, kastelen, paleizen, grachtentuinen, stadswijken, buitenhuisjes, douaneposten en weermiddelen. Hoewel de nadruk ligt op hun ontstaansgeschiedenis, historische rol en verloren functie, wordt de toon van de bundel niet getypeerd door nostalgie en zorg om hun vergankelijkheid. Het boek wordt eerder getypeerd door een onvermoeibare ontdekkingslust. Je kunt twee tapijtreinigende dames in een oud fort ook tot je ontdekkingen rekenen.

            Lof der stenen is een zeer onderhoudend boek. Matsier verlangt op verschillende plekken terug naar de vertellende onderwijzer die de historische platen van J.H. Isings toelicht. Maar hij vervult zelf die rol. Nicolaas Matsier is een bijzonder goed schrijver met een benijdenswaardige eruditie.

Vincent van Rossem, Binnenstad, 2013

Het valt niet mee om een leesbaar stukje te schrijven over architectuur. Dergelijk proza verzandt al gauw in beschrijvingen van wonderlijke details in een ondoorgrondelijk jargon. Karel van het Reve noemde dat ooit het raadsel der onleesbaarheid: deskundigen die niet kunnen schrijven. Sindsdien is het alleen maar erger geworden. Van het Reve verbaasde zich in 1978 over het gebrek aan stijl in de literatuurwetenschap, maar veel hedendaagse kunsthistorici begrijpen zelfs de meest elementaire regels van hun moedertaal niet. Mensen die wel kunnen schrijven hebben doorgaans geen belangstelling voor architectuur of stedenbouw. De roman Austerlitz van W.G. Sebald bewijst echter dat architectuurgeschiedenis niet per definitie dodelijk is voor de kunst van het schrijven.

            Nicolaas Matsier is de Nederlandse schrijver die de uitzondering op de regel vormt. Lof der stenen is een bundel opstellen over monumenten. Maar dan niet op de zorgelijke toon die daarbij gebruikelijk is. En het gaat evenmin alleen over stenen. Matsier heeft ook belangstelling voor ‘linies’, de grootschalige verdedigingswerken die zelfs de inrichting van het westen des lands beïnvloed hebben, de waterlinies en de Stelling van Amsterdam komen uitvoerig ter sprake. Ook bijna dorpse details krijgen aandacht, de kermis op de Palmgracht die omwonenden bijna gek maakte en zelfs de recente opknapbeurt van het gedempte grachtje komt ter sprake.

            Ook het essentiële probleem van de hedendaagse monumentenzorg komt even ter sprake: ‘gerestaureerde armoede is een onoplosbare paradox’, want ‘armoede laat geen sporen achter, in onze keurig gerestaureerde binnensteden zijn de armoede en het verval van voorheen onzichtbaar geworden’. Nog even en de Jordaan is een deftige woonwijk. Matsier beschrijft geestig met welke ambtelijke onzin het semicommunistische gemeentebestuur hem lang geleden confronteerde als nieuwbakken huiseigenaar aan de Palmgracht. Het kan verkeren.